1720 (eerder per abuis 1717) – Een Amsterdammer kwam gekleed als Harlekien, In schyn van Sinte Klaas, en deelden aan hun meeden


Opmerkingen: 

Het interessantst aan deze bron is dat er hier, in het gedeelte vanaf p. 153, sprake is van een Franse Sinterklaas en een Amsterdamse en dat deze laatste zeer veel meer in de smaak valt bij de kinderen. (Let hierbij op de wat groter uitgevallen teksten.) Van de eerste wordt gezegd dat hij dus niet door de schoorsteen komt/werpt! De Amsterdamse is een soort harlekijn (Arlequino?) die vaak ook gemaskerd of zwart is.

De vaak gehoorde veronderstelling dat Sinterklaas in de tijd vlak na de Reformatie niet werd uitgebeeld en dat kennis over zijn uiterlijke verschijning verloren was gegaan is, getuige deze bron, onjuist. Een andere bron die deze stelling ontkracht is de gevelsteen op de Dam in Amsterdam en het voorgaande uithangbord van gebouw “De Bisschop” dat sinds 1564 op deze plaats aanwezig was.

Voor meer informatie over de centsprent hieronder klik hier.

Ey kinders ziet dees Sint Nicolaas
hoe hy hem weerd, gelyk een baas
Ons Nicolaas Goet Heylig Man/
Die van zijn Paard niet komen kan

 

Daarnaast wordt heel mooi de rol van de Reformatie beschreven en hoe Sinterklaas dit kon overleven…

Recent verscheen een artikel waarin een zeer interessante context van een beurscrash die in 1720 plaatsvond geschetst wordt voor hetgeen hier wordt beschreven. Zie hiervoor: ‘Een Sinte Klaas heel op syn Frans gekleet’ Voor ons interessanter is deze tekst uit dit artikel: “Hoewel deze tekst de suggestie wekt dat Sint-Nicolaas in de achttiende eeuw in zowel een Franse áls een Amsterdamse creatie werd uitgebeeld, is dat toch niet het geval! De tekst moet namelijk niet letterlijk geïnterpreteerd worden als een fysiek optreden van Sint-Nicolaas. Een uitleg die men er op basis van dit gedicht tegenwoordig aan wil geven. Of een uitleg om het standpunt te voeden dat Van Gijsen met dit gedicht juist een doelbewuste poging had ondernomen om het katholieke uiterlijk van Sint-Nicolaas te veranderen in dat van een harlekijn of komediant. Als een list om de kinderen af te helpen van hun geloof in de katholieke bisschop. Die ‘eer’ kan Van Gijsen echter niet toegeschreven worden.”

In het licht van het uiterlijk van Sinte(r) Klaas gaat dit artikel echter totaal de andere kant op. Alsof er sprake zou zijn van een bewust willen sturen door Van Gijsen en alsof de beide door hem als Sint-Nicolaas/Sinte(r) Klaas beschreven figuren niets zouden zeggen over de wijze waarop deze figuur ook in die tijd al wordt uitgebeeld. Door de auteur van het artikel wordt  toch wel min of meer gesuggereerd dat er in die tijd bij de uitbeelding van Sint-Nicolaas uitgegaan werd van het nabootsen van een katholieke bisschop en dat men hier slechts te maken heeft met een metafoor.

Dat dit niet klopt, weten we uit vele andere bronnen en ook deze tekst ondersteunt dit. We weten ook dat dit niets te maken heeft met het feit dat, zoals ook wel beweerd wordt, men het uiterlijk van Sint-Nicolaas vergeten zou zijn. Het feit dat Sint-Nicolaas zich kennelijk, zowel in overdrachtelijke zin als in werkelijke verbeelding op heel diverse manieren kon vertonen blijkt uit diverse bronnen. Een bron uit 1788 verhaalt van een (in het wit geklede?) Sinterklaas. Daarnaast is het schilderij van Naiveu uit 1703 hiervoor een indicatie en ook de hierboven afgebeelde prent die in het genoemde artikel geïdentificeerd wordt als oorspronkelijke uitbeelding van Tijl Uilenspiegel. Sinterklaas is fysiek waarschijnlijk nooit weggeweest en jongelui hebben hem altijd uitgebeeld, getuige een bron uit 1659. al is zijn uiterlijk wel naar de plaatselijke gebruiken aangepast al dan niet onder invloed van de Reformatie. In 1720 beschrijft men Sinterklaas als Klaas Vaak, een kabouterfiguur die zich klein kan maken en door de schoorsteen kan komen. In 1748 vinden we een beschrijving van een zwarte (duivelse) Sinterklaas. In 1772 een beschrijving van een rijke heer tegenover geesten en spokerijen, in 1780 beschreven als Monsterdier. Ook zien we in deze tijd de centsprenten van Sint-Nicolaas die oorspronkelijk Karel V en Karel van Orleans moesten uitbeelden. Men wist overigens best hoe een bisschop er uit zag en maakte dat onderscheid ook wel degelijk door verschil te maken tussen de Heilige en de Volkse Sint Nicolaas. Dat verschil wordt echter niet altijd gemaakt, waardoor we dit ook door elkaar zien lopen in diverse bronnen.

Sinterklaas en Zwarte Piet zijn een wonderlijke mengeling van de hier beschreven figuren en van de vele uitvoeringen die er geweest zijn waarvan we niet eens een beschrijving kennen. Er is geen sprake van een bewuste sturing, de teksten zijn eerder een weerspiegeling van de praktijk van die dagen als het ging om het vieren van het Sinterklaasfeest en daardoor kon hij ook als twee verschillend beschreven “Sinten” figureren in het epistel van Jan van Gijsen. Of hij daarmee ook doelde op de katholieke/bisschoppelijke achtergrond van een “Franse” Sint blijkt niet uit die stuk, maar is als achtergrond is ook dat zeker niet ondenkbaar.

Sinterklaaskenners en -liefhebbers begeven zich wat hun ideeën betreft nogal eens in loopgraven. Dat is jammer omdat de gevonden bronnen vaak wel zeer waardevol zijn en hiermee bepaalde rotsvaste overtuigingen van kanttekeningen voorzien zouden moeten worden. De scherpe randjes van een discussie hierover zouden eraf moeten en ideeën vrijelijk gedeeld en besproken moeten worden waarbij bepaalde ideeën niet zomaar van tafel moeten worden geveegd omdat er zeker wel aanknopingspunten in zitten die in deze wonderlijke mengeling die die ontwikkeling van het Sinterklaasfeest nu eenmaal is wel hun plek verdienen. Elke nieuwe bron, of nieuw inzicht in een bron kan hieraan bijdragen en al te stellige uitspraken vragen meestal nuancering op basis van de inzichten die door anderen naar de tafel worden gebracht.

 


p. 153

Verhaelende de op en ondergang van 
Sinte-Klaas
Nederlanden
Amsterdam, den 6 December.

Dees Zinte-Klaas was een Aards-Bisschop in zyn tyd,
Is daar na tot Patroon der Russen ingewyd;
Zyn wonder Werken zyn in lange en breed beschreven
Van zyn Geboorte tot het eynde van zyn Leeven.
Te lang te melden, want dezelve die beslaan
Een knap Octavo Boek van meenigte van blaân,
Waar toe den Lezer die belust is werd geweezen,
om ‘t zelve zo als ik gedaan heb te doorleezen,
die ‘t geloofd, die zal bevinden dat hy waard
Was door Europa, zoo gelyk hy is vermaard
p. 154

Te werden; eensdeels om zyn ingetoogen Leeven,
Ten anderen om zyn meer dan mildaadig geeven,
Maar ‘t meest aan Kind’ren, en niet van het Oudste zoort,
Waar van zyn wedergaâ nog nimmer is gehoord;
Maar kleyntjes deelden hy zyn milde gaaven meeden
In ‘t geeven van Banquet, en alle mooijigheeden;
Zoo dat de Vrouwen die in noot van Baaren zyn,
Hem nog aanroepen tot verligting van haar pyn,
Waar van dat eens zou zyn de waarheid klaar gebleeken,
Van welk geval dat ik hier zal wat naader spreeken,
Een Vrouw in Baarends nood riep Zinte Klaas staag aan.
Dog ‘t Voolwyks Schuytje scheen dat wou niet voorwaards gaan,
Om dan dit PynlYk werk niet langer te doen draalen,
Besloot men om die Sankt zijn Beeltenis te haalen
In Schildery, gelyk ook aanstonds wierd gedaan.
Maar wat Mens zyn vernuft moet daar niet stil voor staan,
Het stuk dat keerd zig om uyt schaamte van te aanschouwen,
Het over groot geheim in ‘t Baaren van de Vrouwen;
Te weeten, ‘t agterst voor, en de oogen naar de muur,
En daar van was het werk van een zeer korten duur,
De Vrouw verlost, ‘t Vrouwvolk volvoerden al het geenen
Wat moet zyn om malkaar in nood de hand te leenen,
Zo dra het Jonge Kind de Vaader wierd vereërd,
Toen heeft het Schildery zich weêr voorwaards gekeerd,
Om ‘t Jonge Kindje, en de Vreugde te aanschouwen,
Zo in den Vaader, als de t’zaam geroepe Vrouwen,
ô Wond’ren zonder ga die het geloove gaan
Zo veer te booven, als het Zonneligt, van de Maan;
Merkt gierigaards wat dat de mildigheyd kon baaren,
In Zint Niklaas, met geen Heylig te evenaaren,
Byzonder tot dat Jong beminnelyke zaat,
Dat nog pas onderscheit weet tussen goet en kwaat;
Dog na mooy Weer volgd wel zomtyds een digte Reegen,
Zodanig is het ook met Zinte Klaas geleegen,
Na ‘t bitter volgd het zoet, na Reegen Zonneschyn,
Zo is ‘t altyd geweest en zo zal ‘t altyd zyn,
Het geen de ervarenheyt ons zal genoegzaam leeren;
Maar om eens weder tot ons Zinte-Klaas te keeren;
Een langen tyd daar na, wierd het Geloof Hervormd,
De meeste Beelden van de Heylige bestormd,
En ‘t grootst gedeelte wierd van ‘t by Geloof geneezen,
Zo bleef zyn Naam bij de Hervormde nog in Weezen;
De Kindere wouden niet van Sinte Klaas afstaan,
Vermits al ‘t goed dat hy hun Jaarlyks had gedaan,
Gelyk tot Amsterdam nog met zyn Naam praald de Ouwden;
p.155
Dees Kinder Minnaar kreeg toen evenwel een krak,
En wierd van Jaar tot Jaar hoe lang hoe meerder vrak;
Maar egter heeft hy nooyt geheel de zak gekreegen;
De Kinders waaren al te veel tot hem geneegen,
Want Kinders d Ouwde hier in veer te booven gaan
In ‘t goed te erkennen, dat men aan hun heeft gedaan;
En als een Kranke die de doodsnik scheen te geeven,
En beeterd wederom schynd als op nieuws te herleeven;
Zo even is het ook met Sinte-Klaas gegaan;
Korts was hy kleyn, nu wast [groeit] hy weer gelyk de Maan,
Gelyk den sesden van December is gebleeken,
Waar van ik deesen dag zeer klaar de waarheyt sag,
‘t Geen ik de Leesers hier zal brengen aan den dag.
Een seeker Heer die my heeft seer veel gonst beweesen,
Gelykerwys als ik meer heb gemeld voor deesen,
En die een Minnaar is van kleyne Kind’ren, had
Op Sinte-Niklaas Dag een denkbeeld op gevat,
Om met de Kinderen waar toe hy was geneegen,
Op dees tyd alle soort van Vroolykheyt te pleegen,
Daar onder and’ren meê myn Dogter wierd versogt,
en ik beneevens haar, dewyl ik haar daar brogt,
Alwaar men om de Jeugd ten volle te vermaaken,
Een aanvang maakten met de vollegende saaken.
Eerst kwam een Sinte Klaas heel op sijn Frans gekleet,
Die niet als Wit Papier door Schouw of Schoorsteen smeet,
De Kinders grabbelden, vast denkend dat het waaren
Wat leege Briefjes om iets mooys in te vergaaren,
Maar siende dat het was en bleef, en niet een sier
In ‘t eynd sou weesen als beschreeven Wit Papier;
Waar door veel Kindertjes het setten op een huylen,
Die het Papier wel voor wat lekkers wilden ruylen;
Wy maakten aan hun wys dat het wel ‘t aldermeest
Hun eyge schuld was, wyl sy waaren stout geweest;
Dog sy beweerden dat zulks valslyk was geloogen,
Maar dat hun Sinte-Klaas te elendig had bedroogen,
En hun ontsteeken van de Ouwde Welvaard, daar
Hun in Voorleên tyd soo veel aan geleegen waar,
En dat men haar maar sogt wat vlekken aan te smeeren,
Om ‘t kwaad soo van den hals van Sinte Klaas te weeren;
Maar dat sy hadden al te duydelyk bescheyd,
Hoe dat zy wierden by hun Neusjes omgeleyt,
Wy eyndelijk met hun zo teed’re klagt bewoogen,
Die oopende op ‘t laatst hun nog verblinde oogen,
Op dat zy klaarder uyt dezelve zoude zien;
Een Amsterdammer kwam gekleed als Harlekien, [Arlequino?]
In schyn van Sinte Klaas, en deelden aan hun meeden
Wat lekker was, of mooy gelyk de Al-Ouwde deeden;
Waar door zig alles weêr ten goede heeft geschikt,
En ‘t hert der Kinderen niet weynig heeft verkwikt;
Want aanstonds zag men dat al die onnooz’le Lammers;
Zig zelfs verheugden door ‘t gedrag der Amsterdammers,
Die hun behielden by hun voorge vrijigheyd,
Dies der onnooslen zaak ten goeden wierd bepleyt;
Toen kreeg men overvloed van alle zoort van schatten;
Die lekker zyn, of mooy in Kinderlyk bevatten,
Daar wierd op hun gestort den Hoorn der overvloed,
En al gedaan wat m’aan geliefde Kind’ren doed;
Dies Sinte-Klaas nog blyft in Amsterdam in Weezen;
en in die staat nog is gelyk hy was voor deezen;
Dies bloeyd daar Sinte Klaas als in voorleeden tyd;
Maar Vrankryks Sinte Klaas die is zyn Byltje kwyt;
Maar Vrankryks Sinte Klaas die kon hun niet behaagen;
Zoo dra hun oogen de Papiere giften zaagen;
Maar lekker, en wat mooys, voorspeld niet als wat goets,
Dewyl ‘t den Inhoud is der Hoorn des Overvloeds,
Altyd myn Kind is bly, en ik van haarend weegen,
Wyl zy wat beeter als Papiertjes heeft gekreegen,
En pryst beneevens my de Amstels Sinte Klaas,
En Franse Sinte Klaas noemd zy een regte laas;
Vermits hy met Papier haar zakken zogt te vullen;
Het geene dat by haar werd aangemerkt voor prullen;
Nu zyn haar zakken vol, met mooys en voor de fret [vreten/eten];
Dat is te zeggen met Kleagie [Kleedje (Jurkje?)/Kleding] en Banket,
Gelukkig is dat Land daar Sinte Klaas blyfd bloeijen,
Gelyk van Ouds, want al het aâr is te verfoeijen.

 

Auteur: Gijsen, van Jan
Jaar: 1720
Land(en): Nederland
Tekstbron:
  1. 1720 – Jan van Gysens maandaagse Amsterdamsche merkurius
Pagina: 153 t/m 155

Legenden:
  1. Drie Meisjes (bruidsschat) (Legenda Aurea)
  2. Kindheidsverhalen
Schilderijen:
  1. 1605 – SinterClaes op de dam in Amsterdam
  2. 1820 – Aquarel Sankt Nikolaus und Krampus – Xaver von Paumgarten
Illustratie:
  1. 1750 – Ons Nicolaas Goet Heylig Man… die van zijn paard niet komen kan.
  2. 1875 – Nieuwe Nederlandsche Kinderprenten. (Funke’s Prenten.) – St.Nicolaas en zijn knecht. – No.137